|
De Tuin van de Finzi-Contini’s
Giorgio Bassini
De Tuin van de Finzi-Contini’s is een ontroerend boek der herinnering. Het is
een menselijke topografie van een plek in de tijd, op een schaal, die men
meestal groot noemt, wanneer men klein bedoelt. Een stafkaart met heel preciese
hoogtelijnen, waarmee contouren, diepten en hellingen zichtbaar worden. Een zo
dicht weefsel van lijnen neergelegd over de coördinaten van ruimte en tijd, dat
de beslotenheid van de tuin zich aftekent in zijn omgrenzing naar de
buitenwereld, ongewis, ver en vreemd, tenslotte levensgevaarlijk. Zoals ook
etymologisch tuin eigenlijk omheining betekent, een verschuiving tussen het
omslotene en de omsluiting is opgetreden, zo dringt buiten naar binnen, het
anti-semitisme in het oorspronkelijk vrijwillig getto-kasteel van de
Finzi-Contini. De tuin en het haast lege familiegraf, zij verschillen niet van
de Etruskische grafheuvel.
Pas na herlezing zoek ik de exacte ligging van Ferrara op in mijn oude,
inmiddels vergeelde Bartholomew atlas, wanneer het niet meer nodig is. Zuiver
als curiositeit en in de hoop en als geograaf letterlijk tegen beter weten in,
dat Ferrara nooit heeft bestaan anders dan in de roman van Bassini. Zo immers
zou het gemakkelijker zijn er vrede mee te hebben dat zich het drama in de
verbeelding heeft afgespeeld, een poging ook tot verdringing, dat de roman geen
wortels heeft in de werkelijkheid. Hoe precieser de pen, hoe schrijnender het
verhaal. En ook naar de mate waarin aanvankelijk het fascisme alleen terloops te
berde wordt gebracht, des te zekerder en smartelijker het noodlot en de
ondergang.
Alleen de herinnering is in staat om zulk een vredigheid en rust - zoals in deze
roman - te scheppen. En de herinnering kan niet bestaan zonder ‘plaats’, waar
geheugen en ruimte zich koppelen. De tuin is in de literatuur de plek van de
dood. Bestaat de dood zonder leven? Wellicht is er ook geen plek anders dan de
tuin, waar de herinnering natuurlijker opbloeit in de olmen, linden, platanen en
iets verderop de tennisbaan stem krijgt in het geluid van de droge slag en van
de bal tegen het gras. ‘Diegenen van ons die onder de grote parasol zaten,
stonden op en degenen die aan het spelen waren, stopten daarmee. Gaat u rustig
verder, zei de professor met zijn beschaafde, muzikale stem, laat u niet storen,
speelt u alstublieft door.’ Een staaltje van rust, beweging en evenwicht, dat zo
kenmerkend is voor de verteltrant. Misschien kan als gevolg van de holocaust
slechts de synagoge wedijveren met de tuin als plaats van ingekapseld leven en
de dood. Ik heb dit voor het eerst ervaren in de oude synagoge in Praag vlakbij
de begraafplaats, waar Kafka ligt. De haast zich verschuilende synagoge,
gedrongen, naarbinnen gekeerd en aldaar een brandend olielampje. Pas hier op
Curaçao ben ik vaker in de synagoge geweest, niet alleen als bezoeker, maar ook
aanwezig bij de gewone dienst en eenmaal ter herdenking van de moord op Rabin.
Het zand op de vloer, dat bedoel ik met plaats of plek. En natuurlijk draagt tot
de beslotenheid ook bij het herhaald noemen van familienamen, die de Joodse
groep hoe ook verdeeld en gescheiden tot een eigen wereld maakt. Tegelijkertijd
is daarin de kwetsbaarheid gelegen. Het is het onzichtbaar stiksel van wat ik
eerder het ontroerende noemde. ‘Maar papa, wie waren volgens jou ouder, de
Etrusken of de joden?’
Daar komt nog iets bij. De natuurlijkheid van het speelse en het melancholieke,
die eigen lijken te zijn aan het Italiaans-Joodse leven van deze geschiedenis
met Micol Finzi-Contini. Verzette ik me na de proloog nog tegen het informerend
en het de geest overladend karakter van de beschrijving - de stad, de straten,
de families - als iets ouderwets en vervelends, de precisie van de waarneming en
de verfijning in de vertelling, het beweeglijke en het beeldende van de taal
braken al spoedig mijn vooringenomen weerstand. Daarna was ik reddeloos in de
stroom van Bassini’s vertelkunst. De herinnering gebruikt de schrijver, beter
gezegd de ik, als methode tot aanvaarding van wat is gebeurd. En toch is er niet
echt sprake van gelatenheid, want de stemmingen zoals de melancholie, het
speelse, plagerige en het bijna-erotische houden hun eigen geladenheid en worden
niet ondergeschikt gemaakt aan de weemoed van de herinnering, hoezeer deze ook
de golfslag in de betrekkingen beheerst.
Vroeger liep ik een blokje om, nu ga ik zwemmen in zee wanneer de zon ondergaat,
als ik niet weet wat het precies is dat ik nog moet zeggen. Vandaag was de zon
ronder dan op andere dagen en geler ook. De golven net hoog genoeg om over de
stenen wal heen te spoelen. De kracht van het water vroeg om een krachtiger slag
van mijn armen. Nog was de zon niet onder toen ik naar huis ging. Ik denk dat ik
het tederheid wil noemen, die ik ontmoet in de tuin van de Finzi-Contini’s.
Daartoe behoort ook de tegenkracht van het plagerige, het misschien zelfs
licht-wreedaardige van de kant van Micol in haar vriendschap, die zij niet in
liefde wilde of kon doen omslaan anders dan voor Malnate. Micol zelf kan niet
zonder tegenspel, wat verschilt van koppigheid en vasthoudendheid van de ik. De
ander moet zich kunnen uitleveren zonder zich echt over te geven om te zorgen
dat er sprake zal blijven van beweeglijkheid en een tijdelijke terugkeer naar
een balans. Dit is de stroom, waarop ik doelde, niet alleen van de vertelkunst
maar ook van de emotionele verhoudingen. Beweging schijnt ook in het hebreeuws
als taal en het Joodse leven het meest natuurlijke kenmerk te zijn, terwijl in
het grieks-europese denken het zien, het statische domineert. Denk maar aan het
beweeglijk bidden van de Joden aan de Klaagmuur. Wat jammer, dat ik geen
hebreeuws ken of italiaans, dat waarschijnlijk nog het meest het eerste nabij
komt.
Het is een verhaal, dat ik nog vaak opnieuw zal lezen. En waarom? Het is een
uiterst fijnzinnige ontvouwing van een voorgoed verdwenen wereld, die je op een
of andere manier nog net gekend hebt, terwijl iedereen , Micol, Alberto, de
professor Ermanno, Jor de hond en ook Ferrara absoluut onbekend zijn. ‘Hij nam
mijn hoed, sjaal en overjas aan en verdween in het kamertje ernaast...... Hij
zette zich in een fauteuil’ ‘In feite was de scriptie af, ik moest haar alleen
nog typen’. Die gewone handelingen en dagelijkse gebruiksvoorwerpen, die woorden
en werkwoorden, ze openen het luikje naar de verdwenen wereld. En al lezend
ontsnapt het geheim van het schrijven.
D.C.
|